Het houtskool gloeit. Een warme gloed, die plaats maakt voor het opkomende zonlicht. Nog geen dag geleden begon dit avontuur. Keer op keer, wanneer ik West End bereik, slaat de vreugde toe. Ik zie de Dolfijn aan komen varen. Snel stap ik op. De golven nemen mijn gedachten met zich mee. Stroomafwaarts. Mijn zorgen zijn voor morgen.Bij de eerste glimp van de woonboot Ome Jan maakt mijn hart een sprong. Het drijvende huis van het eiland, een veilige thuishaven. Ik stap met beide voeten aan wal. Eindelijk terug. Eindelijk weer thuis. Holtus eiland, zoals het hoort.

De zeilen in de haven zijn gestreken en toch gaat het voor de wind. Bij het passeren van de Ome Jan staat de kleine kamper in me op. Stiekem wil ik daar de nachtrust zoeken. Als een kleine jongen die ver van te voren het avontuur voelt aankomen. Toch loop ik door naar de staftent. Dat is nu mijn plek. De kamper in mij, die blijft.

We zijn compleet. Staf & kampers, kampers & staf. Een bijzondere connectie tussen deze groepen, die gezamenlijk dé groep vormen. Een controlegroep, die controleert, dat er niet teveel gecontroleerd wordt. De grenzen staan niet op de paden aangegeven, maar worden wel gezamenlijk uitgezet. Zo ver van huis, en toch meteen al zo thuis. Hier kan alles.

Tijd om te zeilen. Met vier kampers en één instructeur is het meteen volle bak. We varen weg van het eiland, weg van de bomen, om daar de kat niet uit te kijken. Een van de mooie dingen van Holtus kamp, je wil er jezelf zijn. De heren leren elkaar kennen. Om de beurt aan het roer. En meteen schuin gaan. Eventueel moonen. Want ja, diezelfde avond moeten er sterke verhalen zijn.
De kookstaf is druk in de weer geweest. Niet alleen het lekkere weer, ook in de keuken. Een heerlijke maaltijd staat voor ons klaar. Degene die voor de eerste avond Chili Concarne bedacht heeft, is een ware held.

We zitten met zijn allen aan tafel. Het eerste groepsproces is gestart. Wie kent wie, wie komt er al langer en wie geeft het stokje door? Om het spreekwoordelijke ijs te breken spelen enkele Holtianen wat spelletjes op het grasveld. Op die manier gooien we de sfeer er meteen in. Doe maar niet normaal, dan doe je misschien gek genoeg. We sluiten de eerste avond af met een potje holtusvoetbal.

De schemer treed in. Als een magneet ondervindt men de aantrekkingskracht van de kampvuurplaats. Het vuur is aangewakkerd, zowel in onszelf als in de korf. Waar de zon zakt, daar zakken de oogleden. Het zijn geen vermoeiende dagen, wel rijden we de tanks op tot de laatste druppel. Gooi die reserve er ook maar doorheen.

De Kampvuurplaats

De Kampvuurplaats

Onder zacht gemompel klimt een lied naar voren. ‘Kijk eens even op de klok, alle kippetjes zijn al op stok. Tok tok, tok tok’. Als donderslag bij heldere hemel draait men het volume open. Even de alertheid testen. Bij 1 beginnen we te rennen. Binnen enkele seconden zit de Ome Jan vol. De adrenalinelevels zijn ook weer op peil, dat vuurtje zal nog zeker een uurtje branden. Het Spel van het Slapen Gaan wordt dan ook met expertise gespeeld. Wie de regels kent, speelt hem goed. Wie ze niet kent, speelt hem nog beter.

Nu de storm is gaan liggen neem ik mijn plaats in bij het vuur. Gooi er nog eens een blok hout op, hoor ik in de verte. Dat doe ik stilzwijgend, want ‘ik ga hout halen’ is voor later. Daar zitten we dan. Gezamenlijk vervullen we de teller van de noemer genaamd Holtus. Een team, een taak. Verderop in de Ome Jan spelen zich dromen af in de hoofden van jonge mensen. We beleven ze zelf opnieuw op dit eiland, en maken ze gezamenlijk waar. Even weg van alles, en tegelijkertijd niets tekort.

Ik kijk in het vuur. In de verte hoor ik iemand hout halen. Het houtskool gloeit.

Geschreven door instructeur Harm, jongenskamp 3. Harm komt uit de “eigen opleiding”: hij is eerst verschillende keren als deelnemer (“kamper”) meegeweest en is nu al enkele jaren instructeur.